Suikerbiet Nederland
Onze producten

FAQs (veel gestelde vragen): Nematoden (Heterodera schachtii) in de suikerbietenteelt.

- (versie 20.04.06) -

1. Welke nematoden kunnen schade toebrengen aan suikerbieten?

Heterodera schachtii, het (witte) bietencysteaalje, kan overal ter wereld voorkomen in de teelt van suikerbieten.
Heterodera betae (syn. H. trifolii), het gele bietencysteaaltje, komt in enkele specifieke teeltgebieden voor (bv. Zweden, het Rijndal in Duitsland, zandgrond in Nederland).
Verschillende soorten van het wortelknobbelaaltje† Meloidogyne spp. kunnen ook overal ter wereld voorkomen.
Bepaalde pathotype van Ditylenchus dipsaci, het stengelaaltje, kunnen eveneens overal ter wereld schade toebrengen maar alleen in specifieke gebieden.
Op lichte, zandige bodems (bv. In Engeland, Nederland en Duitsland) kunnen de vrijlevende aaltjes† (Trichodorus sp. en Paratrichodorus sp.) en het naaldaaltje (Longidorus sp.) van belang zijn. In Engeland zijn deze bekend als de oorzaak van “Docking disorder”. Trichodorus sp. en Paratrichodorus sp. kunnen tabaksratelvirus overbrengen, Longidorus sp. is de vector voor het tomaten zwartring virus. Geen van beide virussen geven serieuze aantasting in suikerbieten. “Docking disorder” door vrijlevende aaltjes geeft wel schade door afwijkende groei van de wortels.

2. Hoe kan Heterodera schachtii (witte bietencysteaaltje) worden beheerst?

Het gebruik van chemische bestrijders, bv. Nematiciden in de vorm van granulaat, is in de meeste EU-landen niet meer toegestaan. Zo mogelijk moet de teelt van suikerbieten worden verruimd naar minimaal ťťn op 4 of 5. Als daarvoor mogelijkheden zijn kunnen aaltjesresistente vanggewassen (bv. bepaalde rassen van bladrammenas of gele mosterd) opgenomen worden in de vruchtwisseling na granen. Op braakpercelen kunnen deze resistente groenbemesters worden geteeld als hoofdgewas, om zo de aaltjespopulatie te reduceren. De laatste jaren zijn er voor de bietenteler ook suikerbietenrassen beschikbaar met resistentie of tolerantie tegen H. schachtii.

3. Hoe kunnen problemen met het witte bietencysteaaltje Heterodera schachtii vastgesteld worden in het veld?

Symptomen in het veld, zoals plekken met “slapende”planten gedurende de zomer en/of een sterke vermeerdering van de wortelgroei (wortelbaard) zijn de eerste indicaties voor problemen met cysteaaltjes. Een duidelijk bewijs is het voorkomen van witte of bruine cysten op de haarwortels. Als op het perceel geen bieten worden geteeld kan door middel van grondbemonstering en –analyse door een erkend laboratorium zowel het aantal cysten als het aantal eieren en larven per 100 ml luchtdroge grond worden bepaald. Om goede resultaten te verkrijgen is een representatieve bemonstering van belang. Dit kan door veel submonsters per perceel te nemen (normaal worden ten minste 400 kleine sub-monsters per ha aanbevolen, die tezamen ťťn monster vormen).

4. Welke schade kan men verwachten door nematoden, als een gevoelig ras wordt geteeld?

Schade door H. schachtii is sterk afhankelijk van het moment van de eerste infectie en de daarop volgende omstandigheden in de grond (vocht, temperatuur). Een ruwe schatting voor Duitsland is dat met een populatie van 100 eieren en larven/100 ml grond, er ca. 1 % verlies aan wortelopbrengst verwacht mag worden.

5. Welke waardplanten kennen we voor Heterodera schachtii?

De belangrijkste waardplanten naast suikerbieten zijn spinazie, kool, koolzaad,†niet resistente bladrammenas en mosterd en daarnaast veel onkruidsoorten. Uien en aardappelen worden niet aangetast door H. schachtii (echter wel door veel andere nematoden waaronder Paratrichodorus spp., Ditylenchus dipsaci, Pratylenchus penetrans, Meloidogyne spp.).

6.†Resistentie en tolerantie – terminologie en belang voor de praktijk?

Resistentie is het vermogen om een aanval van een potentiŽle ziekteverwekker in zekere mate te beperken of te voorkomen. In het geval van H. schachtii betekent dit dat een resistent ras de vermeerderingsfactor kan beperken tot een zeker niveau onder gestandaardiseerde condities (dat wil zeggen de vermeerderingsfactor (Pf/Pi-waarde) moet lager zijn dan 1).
Tolerantie is het vermogen van een plant om een aanval van pathogenen (zoals bv. H. schachtii) te weerstaan en daarvan te herstellen zonder veel verlies aan opbrengst vergeleken met een gevoelige plant onder gezonde omstandigheden (in dit geval kunnen Pf/Pi waarden groter zijn dan 1, maar de opbrengsten blijven op niveau).

7.††Wat zijn de biologische mechanismen die leiden tot resistentie of tolerantie in suikerbieten?

Resistentie: Na het uitkomen uit de cysten gaan de larven van H. schachtii de wortel binnen en veroorzaken bij gevoelige bietenrassen de vorming van grote voedingscellen. In resistente suikerbieten, veroorzaakt H. schachtii kleine, incomplete voedingscellen, wat tot gevolg heft dat veel vrouwelijke aaltjes en een groot deel van de mannelijke aaltjes sterven, door gebrek aan voedsel. De bevruchting van vrouwtjes wordt daardoor gereduceerd en dientengevolge neemt de populatie van H. schachtii af. Tolerantie: De mechanismen bij tolerantie zijn momenteel in onderzoek en nog niet volledig bekend!

8.††Wat is bekend over de waarschijnlijkheid dat een resistentie of tolerantie wordt doorbroken?

Op proefveldschaal is aangetoond dat de monogene resistentie van de wilde biet B. procumbens doorbroken kan worden door virulente pathotypen van het bietencysteaaltje Heterodera schachtii nadat meerdere jaren achtereen resistente suikerbieten zijn geteeld in een driejarige rotatie (suikerbieten/graan/graan).†

Het resultaat bij de teelt van tolerante rassen is onbekend. Er van uit gaande dat meerdere genen verantwoordelijk zijn voor de tolerantie, is het onwaarschijnlijk dat de nematodenpopulatie “tolerantie-doorbrekende” pathotypen zal ontwikkelen.

9.† Hebben tolerante rassen aanvullende resistenties/toleranties tegen andere nematoden dan H. schachtii?

De tolerantie van de momenteel beschikbare suikerbietenrassen is alleen tegen Heterodera schachtii. Er bestaat geen tolerantie/resistentie tegen Heterodera betae (syn. H. trifolii; het gele bietencysteaaltje)of tegen wortelknobbelaaltjes ( Meloidogyne sp.). Voor het stengelaaltje Ditylenchus dipsaci, zijn tolerante rassen minder gevoelig, maar niet resistent.

10.†Vanaf welke besmetting worden tolerante of resistente suikerbietenrassen aanbevolen?

Economische schadedrempels, dat wil zeggen bepaalde hoeveelheden eieren en larven van† H. schachtii die leiden tot significante opbrengstderving, variŽren sterk afhankelijk van het land waar de bieten worden geteeld. Schadedrempels kunnen variŽren van 100 tot 1000 eieren+larven/100ml grond, afhankelijk van bodemtemperatuur en –vocht, textuur van de bodem en de lengte van het groeiseizoen. Op basis van de ervaringen uit opbrengstproeven in verschillende landen gedurende meerdere jaren, kunnen tolerante rassen bij lagere besmettingen worden aanbevolen dan resistente rassen.

11.††Hoe moeten resistente en tolerante rassen worden ingepast in de vruchtwisseling?

In het algemeen zouden resistente/tolerante rassen zoals een normaal ras geteeld moeten worden, met suikerbieten om de 3, 4 of 5 jaar.

12.††Moeten aaltjesresistente rassen anders worden bemest met stikstof, omdat het gehalte aan alpha-amino N (genetisch) hoger is?

Nee! Stikstof moet worden toegepast zoals aanbevolen voor een bepaalde regio of bodemtype. Omdat het gehalte aan alpha-amino-N vooral genetisch bepaald wordt, is de enige oplossing bij het kweken van bieten naar lagere gehaltes te zoeken. Er zijn al nieuwe tolerante rassen in de officiŽle proeven die een a-N-gehalte hebben op het niveau van de gangbare rassen.

13.†Wat zijn mogelijke oorzaken voor lage opbrengsten, ondanks een lage aaltjesdichtheid?

Hoge bodemtemperaturen en lange groeiseizoenen kunnen meerdere generaties aaltjes per jaar bevorderen, en daardoor een hogere vermeerdering. Voorbeelden: In Duitsland zijn er normaal 2 tot 3 generaties per jaar, in ItaliŽ 3 tot 4 en in delen van de USA (CaliforniŽ) kunnen meer dan 4 generaties worden verwacht.

Een vroege aantasting speelt een grote rol. Tot 50 % van de opbrengstreductie kan veroorzaakt worden door de eerste generatie van H. schachtii, in het bijzonder als de bodemtemperaturen in het voorjaar hoog zijn. Dit bevordert een snelle vermeerdering. De volgende generaties veroorzaken ook opbrengstverlies als de infectiedruk hoog is.

14.†Soms worden bij hoge aantallen nematoden toch goede opbrengsten gehaald. Wat kunnen daarvoor de redenen zijn?

(i) In sommige bodemtypen met een goede vocht- en nutriŽntenvoorziening (in het bijzonder N) kunnen bieten de nematodenschade gedeeltelijk te boven komen. (ii) Bodems met een actief bodemleven kunnen soms antagonisten bevatten die de nematodenpopulatie beperken.

Een andere reden zou kunnen zijn het tijdstip van de infectie (iii) Vroege infecties geven veel meer schade dan late. (iv) Beneden 10 įC H. schachtii is niet, of slechts weinig actief, zodat geen infectie plaats vindt, terwijl bieten nog langzaam kunnen groeien.

15.†Heeft het zin om resistente of tolerante suikerbietenrassen te telen naast de teelt van resistente groenbemesters?

Resistente vanggewassen kunnen H. schachti reduceren. De beslissing om een resistent of tolerant ras te telen hangt af van het besmettingsniveau (“Pi-waarde”). Als de groenbemester de nematodenpopulatie tot beneden de schadedrempel reduceert (zie vraag 10) is een resistent of tolerant ras niet nodig. Anderzijds zou men wel een resistent of tolerant ras moeten kiezen – ook wanneer groenbemesters worden geteeld – als de nematodenpopulatie is significant hoger dan de schadedrempel. Voor Nederland en BelgiŽ ligt de grens rond de 200 eieren en larven?100 ml grond.

Vanuit het oogmerk van resistentiemanagement, bevelen wij aan zo mogelijk resistente groenbemesters te telen. Tot heden is er geen bewijs dat de resistentie in deze gewassen kan worden doorbroken door H. schachtii.

16.†Welke phytophathologische consequenties kunnen worden verwacht bij de teelt van resistente groenbemesters?

Het stengelaaltje Ditylenchus dipsaci kan vermeerderen in mosterd maar niet in bladrammenas. De nieuwste resultaten uit veldproeven in Duitsland tonen variatie tussen verschillende mosterdrassen. De juiste keuze van de soort en het ras groenbemester is dus belangrijk.

Tabaksratelvirus (TRV) infecteert aardappelen en andere waardplanten zoals mosterd en veel (meer dan 200 soorten) onkruiden. TRV wordt mechanisch overgedragen door vrijlevende aaltjes (Trichodorus sp. and Paratrichodorus sp.). Bladrammenas is geen waardplant voor† TRV! Hoewel mosterd waardplant is voor het virus zelf is het belangrijk te weten dat de vectoren van het virus – de nematoden – gereduceerd kunnen worden door mosterd en bladrammenas. Daarom heeft mosterd een positief effect vanwege de reductie van de vectoren, ondanks zijn status als waardplant.

17. Het nieuwe EU Suikerregime zal leiden tot veranderingen in de suikerbieten-vruchtwisseling. Wat zijn de effecten op de populaties van H. schachtii?

Vanwege de veranderingen in het suikerregime wordt algemeen verwacht dat de teelt van suikerbieten geconcentreerd zal worden in gebieden met een hoge productie dicht bij suikerfabrieken. Deze gebieden hebben vaak een lange traditie en historie met de teelt van suikerbieten. Aangenomen mag worden dat er een toename zal zijn van† H. schachtii en andere ziekten en plagen (bv. Rhizomanie, Rhizoctonia solani…).

18. Hoe zit het met koolzaad in een vruchtwisseling met suikerbieten?

Als suikerbieten en koolzaad worden gecombineerd in de vruchtwisseling moet de teler controle hebben op de opslag uit uitgevallen zaden voor en na de oogst. Op jonge koolzaadplanten vindt een sterke vermeerdering van H. schachtii plaats!

Koolzaad is ook een goede waardplant voor Ditylenchus dipsaci. Als deze nematode aanwezig is of er alleen al een verdenking is, is het heel belangrijk dat telers afzien van de teelt van koolzaad binnen een rotatie met suikerbieten!